Tot nog niet zo lang geleden waren we het laatste uurtje voor kinderbedtijd altijd druk met het grut aan het spelen. Maar tijden veranderen. Gisteravond zat pappa helemaal alleen achter de grote stapel blokken waar een kasteel van gebouwd moest worden. Laat die ouwe lui, wij weten wel iets leukers, hoorde je ze denken. In een volkomen ongelijke strijd rent Janick achter zijn zus aan, en als hij haar heeft bereikt krijgt ze een kusje en probeert hij een net bedacht spel aan haar duidelijk te maken ("Roosje, jij bent de ziekenhuissmurf, je moet in een bedje liggen!") Roosje begrijpt er de ballen van maar ze moet overal hard om lachen en dat vindt hij ook goed.
Ook heel hard heen en weer rennen en tegen elkaar opbotsen schijnt leuk te zijn. Nu kan ik - i.t.t. mijn kinderen - redelijk goed voorspellen dat dit leuke vrolijke spel in een paar minuten zal eindigen in een huilpartij. Meestal Roos. Ten eerste omdat ze qua motorische ontwikkeling ruim twee jaar op broerlief achterloopt en zij dus vaker dan hij wordt geplet, omgeduwd of van speelgoed beroofd. Maar bovendien heeft Roos de kunst van het preventief gillen ontdekt. Handig om te voorkomen dat er echt iets gebeurt en om je broer de schuld te laten krijgen van iets wat hij niet gedaan heeft.
Maar ze giechelen en gillen allebei nog van plezier en willen niets weten van stoppen. Janick waarschuwen, vermanend toespreken, het helpt allemaal niet. Dan maar Roos oppakken en aan de andere kant van de deur "rustig" laten spelen. Helaas, ook dit voorkomt het huilen niet maar leidt juist tot extra oorverdovend gegil zodra ze doorheeft dat haar speelkameraadje verdwenen is.
Dus ik laat ze maar. "Roohoos, je moet in je smurfenbedjuh..." hoor ik. Lachen, schreeuwen, knal, pang, brul. En daar ren ik alweer om te gaan troosten. Het slachtoffertje stribbelt echter alweer tegen. Ze wil weer naar haar broer toe die aan haar been staat te trekken. Morgen maak ik een filmpje. Heb ik ook weer wat te doen als moeder.