Woordenlijst zwangerschap baby kind

Veel gebruikte termen in zwangerschap op een rijtje

Embryo

De ongeboren baby (vrucht) van 2 weken oud (geteld na de bevruchting) tot en met 8 weken oud. Daarna wordt het ongeboren kindje een foetus genoemd.

Foetus

Het laatste stadium van de ongeboren baby. Vanaf 9 weken na de bevruchting wordt het ongeboren kind een foetus genoemd. Voor die tijd sprak je over een embryo.

Dooierzak

De dooierzak is een vlies in de vorm van een zak dat aan het embryo vastzit. Hiermee worden voedingsstoffen van moeder doorgeven aan het jonge embryo. In de 8e week van de zwangerschap begint de placenta zich te ontwikkelen en zal geleidelijk deze functie van de dooierzak overnemen. De dooierzak verdwijnt dan vanzelf.

dooierzak
Het bolletje boven het hoofdje van het embryo (hier bij een zwangerschap van 9 weken) is de dooierzak

Placenta

Orgaan dat bij de mens en andere zoogdieren tijdens de zwangerschap aangemaakt wordt door het embryo in de baarmoeder.

Na de innesteling vormen de cellen aan de buitenkant van de blastocyste een deel van een structuur genaamd placenta, die de verbinding is tussen de circulatiesystemen van de moeder en van de embryo.

De placenta verzorgt de toevoer van zuurstof, voedingsstoffen, hormonen en medicijnen van de moeder naar de zich ontwikkelende mens; verwijdert alle afvalstoffen; en voorkomt dat bloed van de moeder zich vermengt met het bloed van het embryo en de foetus.

De placenta produceert ook hormonen en houdt de lichaamstemperatuur van het embryo en de foetus enigszins hoger dan die van de moeder.

De placenta communiceert met de zich ontwikkelende mens via de vaten van de navelstreng.

Primitiefstreep

Een overlangse verdikking in de embryoschijf (van zoogdieren, vogels en reptielen) die de lengteas van het embryo definieert en de vorming van drie kiembladen initieert. Dwz, aangeeft wat de boven en onderkant van het embryo moeten worden, richting geeft aan de ontwikkeling van het schijfje.

Eisprong

Elke maand komt er een halverwege de menstruatiecyclus een eicel vrij uit de eierstokken van de vrouw, die door de eileiders afdaalt naar de baarmoeder. Als er geen bevruchting heeft plaatsgevonden wordt de eicel samen met het opgebouwde slijmvlies in de baarmoederwand aan het einde van de maand afgevoerd: dit is dan de menstruatie.

Eileider

Een eileider is een deel van de geslachtsorganen van de vrouw. Het verbindt de eierstokken met de baarmoeder. De eicel is bedekt met trilharen en vervoeren zo de vrijgekomen eicel naar de baarmoeder. Als de eicel spermacellen tegenkomt in de eileider kan het bevrucht worden.

Vruchtwater

De baarmoeder is gevuld met steriel vocht waar het kindje in ligt. Dit vruchtwater wordt steeds opnieuw aangemaakt. Het vruchtwater heeft meerdere functies:

  • Het vormt een buffer met de buitenwereld. Het kindje wordt zo beschermd tegen schokken en klappen.
  • Het kindje kan op deze manier ook eenvoudig bewegen, ronddraaien en buitelen, zonder dat de moeder daar dan weer veel van voelt.
  • Ook voorkomt het vruchtwater dat de vrucht zou kunnen vergroeien met de vliezen bijvoorbeeld.
  • Het houdt de baby op temperatuur.
  • Zorgt ervoor dat je ongeboren kind geen infecties oploopt.
  • De baby drinkt van (en plast in) het vruchtwater in de baarmoeder. Dit is goed voor de ontwikkeling van de spijsvertering.
  • Het vruchtwater speelt ook een rol bij de bevalling

Buiten baarmoederlijke zwangerschap

Normaal vindt de bevruchting plaats in de eileider. Wanneer het beruchte eitje zich deelt daalt het af richting baarmoederholte om zich daar te nestelen. Als de innesteling buiten de baarmoeder plaatsvindt, in de baarmoederhals, de eileider, de eierstok of ergens anders in de buikholte is er sprake van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Dit is heel gevaarlijk voor de baby.

IVF / In-vitrofertilisatie

Amnion

Ook wel vruchtvlies genaamd. Een dun omhulsel waarin het vruchtwater, het embryo en later de foetus, zich bevinden.

Soms begint de bevalling als het vruchtvlies breekt: “de vliezen breken”. Dit kan spontaan gebeuren of met hulp van de verloskundige of gynaecoloog. Het vruchtwater dat in de vliezen zat stroomt dan via de vagina het lichaam van de moeder uit. Dit is niet tegen te houden.

Nageboorte

Even nadat de baby is geboren, moet er aan het einde van de bevalling nog een keer worden geperst om ook de placenta en de vliezen te verliezen. Deze hebben geen functie meer voor moeder of kind, en kunnen in principe zodra de navelstreng is doorgeknipt worden weggegooid.

Weeën

Krachtige samentrekkingen van de baarmoeder. Je hebt ontsluitingsweeën en persweeën, De weeën worden gekenmerkt door krachtige samentrekkingen van de baarmoeder, hetgeen de bevalling tot gevolg heeft. Lees meer op soorten weeën.

Zygote

De bevruchte eicel van een mens wordt van 0 tot 2 weken een zygote genoemd (van 2 tot 8 weken een embryo en van 9 tot 38 weken een foetus.)

 

Gastrulatie

Een proces aan het begin van de zwangerschap waarbij de vrucht zich ontwikkelt. De twee lagen van de schijf worden omgevormd tot een 3 lagen tellend kiemblad met een endoderm, ectoderm en mesoderm. De ene kant van het embryo groeit nu harder dan de andere kant.

Strippen

Bij het “strippen” worden bij de zwangere vrouw inwendig de vliezen waar de baby in zit losgemaakt van de wand van de baarmoeder. De vliezen worden niet kapot gemaakt. Het doel hiervan is de baarmoeder te prikkelen en zo mogelijk de bevalling wat op gang te helpen.

Met 41 of 42 weken kan de verloskundige een inwendig onderzoek doen om te voelen of de baarmoeder al wat verweekt is en er 1 cm ontsluiting is. In dat geval kan ze met een vinger de baarmoedermond ingaan en de vliezen losmaken van de wand van de baarmoeder.

Ontsluiting

In de ontsluitingsfase van de bevalling gaat de baarmoedermond open staan. De ontsluiting vindt plaats in het begin van de bevalling. Een ontsluitingswee zorgt ervoor dat de baarmoedermond een beetje wordt opgerekt. De opening moet een diameter van ongeveer 10 centimeter hebben voor volledige ontsluiting. Pas dan kan het persen / de uitdrijving beginnen.

Kraamzorg

Hulp bij de verzorging van moeder en baby rond bevalling en in de kraamperiode. Bij een thuisbevalling assisteert de kraamverzorgster de verloskundige. In de eerste week thuis zal de kraamverzorgster moeder en kind advies en praktische hulp bieden bij de verzorging van moeder en de baby en eventueel de rest van het gezin. Afhankelijk van de afspraken en de tijd die er is zal ze ook wat lichte huishoudelijke werkzaamheden verzorgen als brood smeren en bedden verschonen.

Tussen de 10e en 16e week van de zwangerschap is het verstandig om alvast de kraamzorg te regelen. Er zijn veel verschillende kraamzorgorganisaties die allemaal op hun eigen manier werken. Je bent zelf vrij om te kiezen voor welke instelling je gaat. Vraag ook even na bij je zorgverzekering.

You might also like

Leave A Reply

Your email address will not be published.